In gesprek met Lei Swinkels
6 maart 2025
“Ger Hendrix en ik hebben Wim Gubbels door het autocrossen leren kennen bij Wiel Collin. Eind 2000 koopt Wim een Rap Stokvis en nodigt daarop Piet Kusters, Piet Aerts, Ger Hendrix en mij uit om de brommer te komen bekijken. Dit is zo’n beetje ’t begin geweest van de vriendenclub, die vandaag de dag ’t Brummerke heet. Er wordt besloten tot de oprichtingsvergadering, hetgeen uiteindelijk gebeurt in 2001.” Lei is vanaf dat moment ook lid.
Aan het woord is Lei Swinkels, geboortejaar 1952, nu gepensioneerd, in zijn werkbare leven electro-monteur, installateur en bouwer van besturingskasten. Hij heeft ook nog als monteur gewerkt bij Speedway-coureur Jan Litjens.
Lei’s vader sterft in 1964, in zijn 53 e levensjaar en moet zijn ziekelijke vrouw en 9 kinderen achter laten. Lei is dan 12 jaar oud. Zijn moeder en Lei’s oudste broer en zus zorgen voor de huishouding en het gemengde bedrijf. Het is een flinke klus voor allen, maar ze doen het en nog goed ook.
“Op mijn 16 e mag ik een nieuwe fiets kopen, maar ik heb natuurlijk liever een brommer. Moeder vindt het uiteindelijk toch goed dat ik het fietsgeld besteed aan een brommer. De DKW Hummel de Luxe (met dikke tank) koop ik tweedehands bij Lommen Baer in Sevenum, ik geloof voor zo’n 300 gulden. Mooi ding, grijs met zwart, ik ben er trots op. Mijn oudste broer Jan had ook al een DKW, een Hummel Super, met eitankje, ’n zwarte met grijze buddy, van 1963.
Toen ik mijn rijbewijs kreeg heb ik de DKW verkocht, ik weet niet meer aan wie. Vanaf mijn 18 e tot m’n 48 e heb ik nooit meer een brommer gehad, ik reed auto.
Ger Hendrix en ik zijn vrienden vanaf de kleuterschool. Met Ger was er altijd en overal reuring. Ger kon gevat en met veel humor uit de hoek komen. Dat is zo gebleven tot aan zijn dood. Ger was toen 65. Dat er iets niet goed was met Ger, bleek tijdens een vakantie in Duitsland. Bij onderzoek bleek er sprake van een tumor in zijn hoofd met uitzaaiingen in o.a. de lever. Nog geen jaar later in 2017 overleed hij.
Vooral door Ger bloeide de liefde voor de bromfiets weer op. Ger werkte vroeger bij Beckers Pietje en kocht daar voor een paar tientjes de inruilers, de tweedehandsjes, die anders naar de sloop zouden gaan. Zo maakte hij relatief weinig kosten, knapte ze een beetje op of maakte ze alleen rijdend. Er werd dan mee gecrosst in de bossen en/of verkocht. De interesse en liefde ging vooral uit naar de Kreidler. Ze waren immers allemaal mooi van model, liepen goed en hadden een aanstekelijk geluid. Dat er makkelijk onderdelen waren te vinden, maakte het nog aantrekkelijker. Om een voorbeeld te noemen. We gingen op een vrijdagavond in Horst een frietje pikken, samen met Jan Peters. In Horst zette Jan de bromfiets op de standaard. Helaas drukte de standaard door het carter. Jan giftig. Daags erna, ‘s-morgens om 6 uur half zeven, waren we al bij Peters in Arcen voor een nieuw carter.
Alle vrije uren en dagen waren Ger en ik onderweg. Ger had van alles staan, zoals onder andere Kreidler, Zündapp, DKW, Simson, Sparta en Honda.
Zelf heb ik 4 bromfietsen. Een snorfietske – dan hoef ik geen helm op -, een zelfbouwbrommer – chopperke -, en twee kreidlers. Een eitank en een bloktank, allebei uit 1966.
De eigenbouw, op mijn maat gemaakt, paars van kleur, bestaat uit delen van o.a. Kreidler, Zündapp en Yamaha. Het is een co-productie van Ger, Jos Custers – de technische man en lasser – en mijzelf. Er zat eerst een klein tankje op, maar daar kon ik de ritten niet mee uitrijden.
De geelzwarte bloktank heb ik van Ger mogen erven. Deze Kreidler is helemaal gerestaureerd. Ger wilde niet dat de brommer in de meest gangbare kleuren werd gespoten. Dus geen rood en geen grijs. We gingen knippen en plakken in de kleuren zwart en geel. Bij Kay (Hay) Theeuwen kwam de kleurwaaier met alle tinten geel op tafel. Kay vroeg welke kleur geel het moest worden. Ger wist het meteen, ondanks de vele geeltinten, die moet het worden zei hij en zo geschiedde. De kleur die pas later door Kreidler zelf is gebruikt. Ger had oog voor design, dat blijkt wel.
Vanaf ongeveer 2000 gaan we ook meer toeren. In de groep met ’t Brummerke of alleen met Ger. We sleutelden bij Ger en zijn broer Jos en bij Wim Gubbels. Dat doe ik tot op vandaag en wil dat graag nog lang blijven doen.
Zo reden we ook eens de Poot-rit. Op de terugweg in Castenray ging een rijder met zijn DKW over de kop. Natuurlijk stopten we direct en hielpen de rijder, naar later bleek was het Harry Groenen, overeind en verzorgden met een pleister zijn hand. Harry en zijn vrouw, kwamen als bedankje nog een pilsje aanbieden voor de spontane belangeloze hulp en werden ook nog allebei lid van ’t Brummerke. Prachtig vonden we dat.
Inmiddels ken ik echter ook mijn beperkingen. Door kalkafzetting in de gewrichten is het voor mij steeds moeilijker om met plezier te rijden. Het is gewoonweg te pijnlijk. De laatste maanden gaat het eigenlijk best goed, nadat ik een extra pilletje per dag mag nemen.
Bij de lange ritten speelde de pijn het meest op. Voor mij waren dan minimaal 3 pauzes noodzakelijk. Het lijf en de rug een keer vaker strekken. Nu het redelijk gaat, wil ik in ieder geval de korte ritten weer proberen mee te rijden.
’t Brummerke organiseert genoeg. 1 rit per maand is prima toch. De feestavond is helemaal prima, goed verzorgde barbecue, goede muziek, heel gezellig ook. Ik ben ook een keer met de fiets gekomen, maar dat doe ik nooit meer, hahaa. Ik ga te voet, is immers maar een stukje. Ik heb ook met interesse geluisterd op de technische avonden door Poot en het brommerpraatje van de leden is altijd leuk. Zoals het nu is, is het vrijheid blijheid. Je hebt geen enkele verplichting en je mag voor een appel en een ei meegenieten van alles wat er voor je georganiseerd wordt.”
Tekst: Ger Wijnen







